89.
Vergruizeld zijn hun beenderen, vermalen
Als 't koren door den zwaren meulensteen.
Nu vlieden, ver van 's hemels zonnestralen,
Op vale wiek hun booze zielen heen,
En zinken in de diepe jammerdalen
Van d' Acheron met angstig klaaggeween:
Dáár zal de nacht voor eeuwig haar omringen.
Vreest dan den Heer, gij broze stervelingen!