11.
De jonge vijg groeit naast de geele vijgen,
Aan d' eigen stam en onder de eigen blaân:
Dezelfde boom is aan dezelfde twijgen
Met groene en gouden appelen belaân.
De loten van den slanken wijnstok stijgen
In 't zonnetjen, waar de open heuvels staan:
Hier ziet ge, jong en teêr, de ranken kronklen.
Ginds purperrood de volle druiven vonklen.