33.
De dappre treedt met onverwrikbaar willen
In stil gepeins het schrikwoud in 't gemoet':
Hij ziet de schaâuw, hij voelt den bodem rillen,
De donder kraakt; maar muurvast staat zijn voet.
Een lichte schok moog' door zijne aadren trillen,
't Duurt één sekonde, en rustig vloeit zijn bloed.
Hij wandelt voort: daar rijst in 't dichtst der stammen
De vuurstad op in snelle toovervlammen.