28.
Gelijk een ros, ontsnapt aan 't oorlogswoên,
Den druk ontwend der gouden riddersporen,
Ronddartelt door het mollig klavergroen,
In lediggang en mingenot verloren;
Maar plotseling op 't klinken der klaroen,
De manen schudt, een luid gebriesch doet hooren,
Zijn meester zoekt, hem in den zadel wiegt,
En dreigend zijn bedreigers tegenvliegt: