18.
Het koeltjen woelt heur malschen boezem bloot,
Nu onder 't floers der lokken zacht bewogen.
Een zilvrig waas bedaauwt het purperrood
Der weelde, dat heur kaken heeft betogen.
Geen maanlichtstraaltjen, dat in 't water schoot.
Is teêrder dan de lach dier kwijnende oogen.
Ze omstrengelt hem: zij zien elkander aan
Met blikken, die de gantsche ziel verstaan.