63.
Gelijk de Egeesche zee, wanneer het woeden
Der stormen die haar zweepen, is gestild,
Nochtans geen rust voelt dalen op haar vloeden,
Maar nadreunt en in al haar golven trilt:
Zóó schijnt, ofschoon hun krachten reeds verbloedden,
En de arm slechts noô het wichtig lemmer tilt,
Dezelfde haat de strijders nog te nopen,
En scheurt hun zwaard steeds nieuwe wonden open.