103.
O, waar' de poort me op mijn gebed ontsloten,
Ik had Klorinde aan 's vijands razernij
Ontrukt; of, werd haar maagdlijk bloed vergoten,
Ik waar' met roem gesneuveld aan heur zij';
Maar 'k heb bij Goôn en menschen 't hoofd gestoten,
Hun raad besliste; en ik - wat restte mij?
Haar dood stond vast bij 't noodlot! Maar al zwichtten
Ook groot en klein, ik ken en volg mijn plichten!