133.
Neen! 'k hoop nog aan uw dwinglandij te ontvlieden;
Uw schande zal niet rusten op mijn hoofd.
Mag geen vergif door deez' mijn aadren zieden,
Zijn dolk en strik en afgrond mij ontroofd,
Toch zult gij mij het sterven niet verbieden,
'k Weet nog een weg, de Hemel zij geloofd!
Barbaar, laat af met vleien, met bedriegen!
Zoek niet mijn kranke hoop nog voor te liegen!’