34.
Wij gingen dus. 't Geliefd Egyptenland
Was 't vergezicht, waarheen de weg zich wendde.
Daar stuiten we op een vloed - ter slinker kant
Dreigde ons de diepte, en rechts een rooverbende.
Wat moest ik doen? Van u, mijn dierbaar pand,
Mij scheiden? Nooit! Ik was des raads ten ende:
'k Sprong in den vloed, terwijl één arm u droeg,
En de andre moedig door de golven sloeg.