120.
Maar eensklaps uit zijn duizeling ontwaakt,
Weet hij den Saraceen een houw te geven,
Die 't harnas splijt en al zijn ribben kraakt.
De scherpe punt is door zijn buik gedreven,
Die met één golf heur ingewanden braakt,
En komt den rug weêr uit. Zoo baant zijn leven
Zich d'uitgang door twee wonden te gelijk,
En reutlend ploft de ontzielde romp in 't slijk.