16.
Een hemeldaauw zijgt zachtkens op hem neêr,
Als balsemde des Heeren hand zijn lokken;
Zijn kleederdosch, zoo graauw als asch weleer,
Wordt blank, zoodra die druppels hem doortrokken:
Dus schittert ook de dorre lelie weêr,
Met morgenparels op de sneeuwen klokken;
Dus ziet de slang, wanneer de lente lacht,
Heur huid verjongd in goudglans en smaragd.