69.
Een floers, zoo zwart als nooit de nacht doet dalen,
Omringt het slot met tastbre duisternis.
Alleen weêrblinkt en blikkert enkle malen
Het schijnsel van een rosse bliksemflits.
Nu deinst de nacht - met bleekbestorven stralen
Herrijst de zon: - nog is de lucht niet frisch.
Maar 't wonderslot wordt nergends meer gevonden;
Niets wijst den plek zelfs, waar de muren stonden.