36.
Wat heeft op eens zijn vorschend oog verrast?
Daar ligt een balk, ten halve in 't zand begraven.
Geen zeekasteel hief ooit een hooger mast
Ten hemel uit de Genueesche haven.
Hij klemt den boom in de ijzren vingren vast,
Of hij de poort mocht wrikken uit haar naven.
Hij drilt hem als een dunne lansenschacht,
En rent nu toe met ingespannen kracht.