30.
De aâloudheid roemt een houtvorm van Sileen,
Wiens schoot een gouden Pallas hield verholen:
Maar wie beschrijft de wondre aanminnigheên,
Tot hiertoe in den myrthenboom verscholen?
Hij baart een Nymf, zoo blank als marmersteen,
Geschikt om ziel en zinnen te doen dolen:
Een Engelin, die Reinout droomen doet
Dat hij op eens Armidaas beeld begroet!