28.
Zij andwoordt hem: ‘Gij vindt er heinde en veer
Verschil van taal, van godsdienst en van zeden.
Hier knielt een volk voor wangedrochten neêr,
Ginds worden zon en starren aangebeden.
Daar zijn er, die, bijna geen menschen meer,
De tanden slaan in raauwe menschenleden -
Kortom, daar ligt een goddeloos geslacht
Verzonken in barbaarschen gruwelnacht.’ -