41.
Maar Soliman, van eedlen spijt aan 't blaken,
Hervat: ‘Mijn Vorst, waar bleef uw oude moed?
Vrij doe de orkaan de wankle throonen kraken,
De grootheid woont den Koningen in 't bloed!
Maar kom, wèl moogt ge een weinig ruste smaken:
Uw lichaam trilt, uw voorhoofd staat in gloed.’ -
Zoo spreekt de Held en wijst den grijzen Koning
Een slaapcel aan in de ongastvrije woning.