18.
Zij gaan. Terstond beveelt een krijgsheraut
Met luid trompetgeschetter, ‘dat de scharen,
Zoo ras in 't Oost de nuchtre dagkim blaauwt,
Gewapend tot den stormmarsch zich vergaâren.’ -
Het oovrig deel van d' avond, die reeds graauwt,
Is in gepeins en arbeid weggevaren:
En lieflijk daalt op vleugelen der rust
De Slaap ter neêr, die alle zorgen sust.