59.
Vafrijn bespiedt nu 't Kamp, zijn palissaden
En grachten, heel zijn ligging en gedaant'.
Toch zijn het geen verborgen kronkelpaden,
Waardoor hij zich beschroomd een toegang baant.
Fier stapt hij voort, en woord noch blik verraden
Den spie, wien elk een van de hunnen waant.
Hij praat en schertst, spreekt en doet andren spreken,
Maar altijd zonder blozen of verbleeken.