10.
Hoe nietig, hoe armzalig is toch de eer,
Waarnaar omlaag de stervelingen jagen!
Wat naakte woestenij, wat enge sfeer,
Doorloopt hun trots, in ijdel zelfbehagen!
Ziet, de aard ligt als een eilandtje' in een meir,
Dat zij den naam van “Waereldzee” doen dragen!
Ach, 't is, gezien van 's hemels hoogen top,
Een laag moeras, een enkle waterdrop!’ -