42.
Zij treft den Pers in 't midden van 't helmet,
Juist waar een gouden kroon weêrblinkt in de oogen.
De diadeem is met één slag verplet,
En zelfs zijn hoofd wordt door den bons gebogen.
Wel voelt de Vorst, door schaamte en spijt ontzet,
Wat kracht er spreekt uit dat heldhaftig pogen.
Snel is de hoon en snel de straf: zóó knalt
De donder soms terwijl de bliksem valt.