67.
Nu haast zij zich de parels af te droogen
Van 't bigglend zweet, dat op zijn voorhoofd brandt.
En koelt hem, met een innig mededogen,
De wangen met de waaierende hand.
't Verborgen vuur van twee geloken oogen
Versmelt al 't ijs, dat, hard als diamant,
Heur borst omgaf. O wonderkracht der minne!
Een vijandin de tederste vriendinne!