46.
'k Besefte 't nu, het lichtschuw nachtgebroed
Staat tot de zon, als wij tot de Eeuwge Waarheid.
'k Belachte mijn hovaardige' euvelmoed,
Die 't scheemren hield voor volle middagklaarheid.
Wel blijft nog steeds de wetenschap mij zoet,
Maar 'k weet, Gods raad vergunt geen openbaarheid
Aan dingen, die geen Cherub zelfs doorgrondt,
En 'k leg de hand aanbiddend op den mond.