70.
Maar de eedle geest is naauwlijks 't stof ontrukt,
Of Tankred voelt zijn laatste kracht verdorven:
De droefenis, te lang reeds onderdrukt,
Heeft in zijn ziel de heerschappij verworven,
En perst de ziel, die reeds aêmechtig bukt,
Al dichter saam. Hij leeft, maar schijnt gestorven,
Zoo stom, zoo bleek, zoo roereloos, zoo koud
Ligt hij daar neêr, van 't jongste zweet bedaauwd.