33.
Reeds naderde ik dat tijdperk van ons leven,
Dat heenwijst naar den neigende' avondstond.
Uw moeder had mij gouds genoeg gegeven;
Daar was geen band die me in den vreemde bond;
Des zwervens moê door onbekende dreven,
Verlangde ik naar den Vaderlandschen grond,
Om daar, gesteund door trouwe vriendenarmen,
Aan eigen haard mijn winter te verwarmen.