26.
Wreede Altamor! ook gij alzoo, - is 't waar? -
Ook gij de koets der kuische gade ontvlogen?
De borsten slaande en met ontvlochten hair,
Lag ze aan uw voet gelijk een worm gebogen:
‘Ach!’ snikte zij, ‘is dan de zee, barbaar!
U lieflijker dan de aanblik mijner oogen?
En klinkt dan 't staal, dat duizenden verslindt,
Welluidender dan 't lachjen van uw kind?’