52.
Toch kan die macht van doodlijk wangediert'
Den heldenmoed der Ridders niet versteenen.
Zoodra Ubout de gulden roede zwiert,
O wonder! is heel 't legioen verdwenen!
Zóó dwarlen, als een enkle rukwind giert,
De beelden, door den mist gevormd, daarhenen:
Niets dat den loop der Ridders meer belet;
De sneeuw-alleen vertraagt somtijds hun tred.