132.
Ja, minder trotsch weêrklonk uw zegelied,
Ging naast uw kar die vrouw niet in een keten,
Die gij zoo fier veroverde, eerst verriedt!
Dat heldenstuk moet heel de waereld weten.
Eens smeekte ik u om 't leven - 't baatte niet;
'k Zou nu den dood van harte welkom heeten.
Maar 'k vraag er u niet om: - mijn hart versmaadt
De minste gift, ontwoekerd aan den haat!