57.
Toch keeren zij, na lang en pijnlijk dralen,
In 't eind hun rug den golven toe; en ziet!
Daar flikkert door de nevels, die er dwalen,
Een wonder licht hun tegen in 't verschiet.
Het vonkt en spat in schitterende stralen,
Waar zilverglans en goudgloed samenvliet.
De Ridders spoên nieuwsgierig voort door 't duister,
En staan weldra bij de oorzaak van dien luister.