41.
Hij grijpt zijn zwaard, en waagt het in te houwen
Op d' eedlen stam. O wonder! rookend bloed
Schijnt plotseling uit de open wond te daauwen,
Misverft den grond, en overspat zijn voet!
Hij rilt, maar waagt in wakker zelfvertrouwen
Een tweeden slag, die d' omtrek dreunen doet;
En hoort! daar kermt, als aan een graf ontstegen,
Een dof gesteun hem uit den boomstam tegen: