43.
Zacht ruischen daar de gladgekemde baren.
In 't strandgebergt', met wouden overgroeid,
Diept zich een grot, versierd met klimopblaâren,
Waar 't golfjen met een groenen weêrschijn vloeit.
Hier, waar geen schip ooit binnen was gevaren,
Waar slechts de visch met zilvren vinnen roeit,
Waar kolken woên noch schorre donders knallen,
Hier doet de Jonkvrouw snel de zeilen vallen.