26.
Zoo roemt Alkast. Zijn beê wordt toegestaan:
Fluks wendt hij naar 't onzalig woud zijn schreden.
Reeds waait van ver het wild gedruisch hem aan,
Maar 't noopt hem niet één stap terug te treden.
Hij voelt zijn hart met de oude kalmte slaan,
En spot met al de onzichtbre gruwzaamheden:
Zijn voet beroert des toovercirkels rand;
Daar vlamt op eens (zoo 't schijnt) een felle brand.