58.
Zij staren op elkaâr, terwijl zij 't zwaard
Het uitgeputte lijf ten steun doen strekken.
En nu - terwijl aan 't Oosterwolkgevaart'
De laatste starren straalloos henentrekken,
Ziet Tankred uit bij 't daglicht, en ontwaart
Wat stroomen bloeds des vijands kleed bevlekken.
Hij juicht vol blinden trots. O hoe verdwaasd
Verheft zich 't hart waar 't gunstig windtjen blaast!