61.
Niet in de schaaûw bij nymfen en najaden,
Bij beekjens en bij bloemen, zacht en zoet;
Neen! op den Berg, na moeielijke paden,
In 't licht der Deugd, dáár woont ons Hoogste Goed!
Hij komt er nooit, die in genot wil baden,
Wien hette en koû lafhartig keeren doet.
En wenscht ge u niet op zulk een top verheven?
Kan de aadlaar ooit in lage dalen leven?