57.
De Veldheer wijkt, en 't goed geluk der Franken,
Aan zijn persoon verbonden, wijkt als hij.
Op eenmaal vlamt met nieuwverrezen spranken
De geestdrift op der matte weêrpartij.
De Christenschaar, die haar fortuin ziet wanken,
Verliest, helaas! nu ook den moed er bij.
Heur lemmer schijnt zoo fel niet meer te gloren,
De krijgstromp heeft zijn koperklank verloren.