12.
Daar kweelt alom een bontgepluimde rij
Van vogels in welluidende choralen.
De Zefier lokt een zoete harmony
Uit bosch en beek, die murmelt door de dalen:
Zoolang de vogels zingen, luistert hij,
Maar zwijgen zij, dan durft hij ademhalen,
Dan fluistert hij het allerlaatst akkoord,
En ruischt gelijk muziek der geesten voort.