18.
Gelijk een kind niet de oogen op durft slaan,
Waar 't monsters meent te aanschouwen, en gedoken
In duisternis, verlicht door zon noch maan,
Terugge-beeft voor onbestaanbre spoken:
Zoo blijven daar die dappren bevend staan,
Onwetend wat hun krachten heeft gebroken,
Zoo niet misschien verbeeldings toovergloed
Van Sfynxen en Chimeeren droomen doet.