41.
De hofstoet leidt, bij zang en luitakkoorden,
Den Kalif naar zijn groote krijgstent heen.
Dáár wacht wie tot der Hoofden stoet behoorden,
Zijn vreugdedisch: hij echter zit alleen,
Zendt spijzen rond en vriendelijke woorden,
En heeft een groet voor allen en elkeen.
Armide ontwaart slechts vreugde en welbehagen,
En rekent nu het gunstig uur geslagen.