81.
Maar als hij daar den sluier neêr ziet dalen,
En de aanblik van die wonde hem verrast;
Als hij, gelijk een hemel zonder stralen,
Dat voorhoofd ziet van doodelijk albast -
Daar bonst hem 't hart met nokkend ademhalen,
En waggelend grijpt hij een steunsel vast:
‘O Englenbeeld!’ zoo barst hij los in klachten,
‘Gij kunt den dood, maar niet mijn smart verzachten!