16.
Terstond vergeet de Koning zijn verdriet,
En ducht niets meer van 's vijands hinderlagen.
Hij zorgt, dat hij de muren schoren ziet,
Die, wagglend reeds, het eerst vernieuwing vragen.
Het werk schiet op; toch flaauwt zijn ijver niet,
En waar de bok een oopning heeft geslagen,
Daar wordt de klank der truffelen gehoord,
En alles, slaaf en burger, metselt voort.