37.
Verwonderd wel maar door geen vrees bewogen,
Blijft Tankred staan; en als de stilte keert,
Dringt hij vooruit; de tak wordt weggebogen,
De struik gesplitst, die hem den toegang weert.
Geen schuilhoek in heel 't woud ontgaat zijne oogen;
Maar niets dat zijn verbazing nu vermeêrt.
Alleen belemmren wilde slingerplanten
En duisternis zijn tred aan alle kanten.