98.
Stort ze uit! Al ziet haar vlotte ziel ter neêr,
Wij hebben voor haar gramschap niet te beven!
Geen wrake woont in 's hemels reine sfeer,
En dwaalt de Mensch, de Seraf kan vergeven.
Die zoete hoop geeft me aan mij-zelven weêr!
Mijn hand-alleen, zij weet het, heeft misdreven: -
Mijn hand had met mijn harte niets gemeens.
Ik leefde in liefde, in liefde sterf ik eens!