11.
Daar wordt op eens heel 't ruischend woud bewogen
Van geesten! Welk een heir, onmeetlijk groot!
Deels uit de lucht klapwiekende aangevlogen,
Deels kruipende uit des aardrijks donkren schoot,
Nog bevende van 't vonnis des Alhoogen,
Dat hun 't gebruik van wapenen verbood,
Maar niet belet, dat ze opgaan uit hun kluizen,
Om tusschen 't loof en in 't geboomt' te huizen.