34.
De gracht nu was geen drassig slijkmoeras,
Veelmin een kil met diepe waterbaren:
Zoo werd dan ook de drooge grub alras
Geheel gedempt met aarde, rijs en blaâren.
Daar sloeg Alkast, vermeetle die hij was,
Zijn ladder neêr: - geen onweêr van gevaren,
Geen ziedend pek, geen haaglend gruis, verstoort
Zijn gang: hij klimt gelijk een boschkat voort.