49.
Met vlammend zwaard springt Karel in zijn woede
Op 't monster aan. ‘Hoû stand! Wat richt gij uit?’
Roept Ubout, ‘Wees, rampzalige, op uw hoede,
Geen zwaard, dat iets in zulk een kamp beduidt!’
Nu slingert hij de gouden tooverroede,
Die zwiepend om des monsters ooren fluit.
De slang, verbaasd, verbijsterd weggekropen,
Verdwijnt met spoed, en laat het voetpad open.