87.
Nu doet zijn zorg den grijzen Held ontwaken:
Daar staat hij, uit zijn duizling opgericht.
Hij voelt zich door een dubblen vuurgloed blaken:
Door woede in 't hart, door schaamte in 't aangezicht.
Hoe zoekt zijn blik, zoo gloeiende als zijn kaken,
Den vijand, voor wiens vuist hij heeft gezwicht!
Wat! de aterling is aan zijn wraak ontweken?
Dan zal hij op 't meêplichtig rot zich wreken!