62.
Hij wil den wagen vliên en maakt ruim baan,
Om, verder op, het doodlijk staal te slingren:
Maar niet aldus zal hij een kamp ontgaan,
Te lang begeerd door felle mededingren.
Hier dreigt een lans, daar grijnst een zwaard hem aan,
Armide klemt een pijlschacht in de vingren,
Maar als de Wraak alreeds den boogpees spant,
Weêrhoudt de Min heur sidderende hand.