33.
Zoo spreekt zij; en de Westergolven dansen
Rondom de kiel, die voortstreeft in heur spoor.
Recht vóór hen daalt de zon van de avondtransen,
En achter hen verschijnt een nieuwe Auroor.
Naauw breken daar de purperroode glansen
De plooien van het dwarlend daauwfloers door,
Of ziet! daar rijst, bij 't rijzen van den morgen,
Een berg, die 't hoofd in wolken houdt verborgen.