83.
Zeeghaftig wil de Veldheer voorwaards dringen,
Reeds waant zijn moed zich meester van de stad,
Als plotsling rook en vonken hem omringen:
't Is stinkend vuur wat in zijn oogen spat,
En zwaveldamp, in dwarrelende kringen.
Zóó blakert nooit het stekend zonnerad
Den Indiaan; zóó felle vlammen stijgen
Uit de Etna niet, van barensnood aan 't hijgen.