98.
Naar Tankred, voort! zoo was mijn vast besluit.
Slechts hij, die mij verwondde, kon verplegen.
Maar plotsling werd mijn snelle rid gestuit:
Een wilde drom vervolgde me op mijn wegen,
En 'k viel bijna zijn grimmigheid ten buit.
Een woud verborg me, en nu, van 't paard gestegen,
Keerde ik vermoeid bij arme huisliên in,
En leefde daar, vergeten herderin!