19.
Zij neigt het hoofd; en met de rozentippen
Van 't mondtjen, waar het wordend kusjen beeft.
Beroert zij nú zijne oogen, dán zijn lippen,
Tot straks zijn mond welsprekend andwoord geeft.
't Is of zijn ziel zijn boezem zal ontglippen,
En gloeiende in heur boezem overzweeft.
De Ridders staan, beschaduwd door de blaâren,
Dit schouwspel verontwaardigd aan te staren.